Wij als EVP-Fractie zijn en blijven de spreekbuis en verdediger van de Europese landbouwers en plattelandsgemeenschappen. Wij zien de landbouwsector als een strategische sector. We geloven in een multifunctioneel gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat is gericht op agrarische familiebedrijven in Europa, en dat landbouwers in staat stelt om te doen waar zij goed in zijn: kwalitatief hoogwaardig voedsel produceren waar wij bekend voor staan. Onze fractie vertegenwoordigt een gediversifieerde, concurrerende sector die voldoende hoeveelheden veilig en kwalitatief hoogwaardig voedsel produceert, en tegelijkertijd inspeelt op de legitieme maatschappelijke zorgen voor het milieu, klimaatverandering en dierenwelzijn. Wij gaan deze uitdaging samen met onze landbouwers aan door te pleiten voor duurzame productiepatronen en te voorzien in stimuleringsmaatregelen om bij te dragen aan het bereiken van klimaat-, biodiversiteits- en milieudoelstellingen.

1. Vergroeningsarchitectuur en de globale milieubegroting

Het debat over de vergroeningsarchitectuur is van groot maatschappelijk belang. Het is zeer controversieel en wordt nauwlettend gevolgd door de media. Daarom is het belangrijk dat er een balans wordt gevonden tussen de eisen van de samenleving, hoge ambities op het gebied van klimaat en milieu en de verdediging van de belangen van de landbouwers. De globale milieubegroting zou kunnen bijdragen aan het vinden van de balans in dit debat.

Aangezien het een innovatieve benadering betreft, was dit concept in 2019 nog niet terug te vinden in de stemmingen van de commissie. Nationale strategische plannen, bestaande uit interventies en financiering onder de twee pijlers, moeten voor een samenhangend geheel gaan zorgen. Logisch zou zijn om via de globale milieubegroting één enkel percentage af te spreken dat in de algemene strategische GLB-plannen wordt toegewezen aan milieu- en klimaatdoelstellingen. De lidstaten zouden de globale milieubegroting kunnen gebruiken om op een flexibele manier, die aangepast is aan hun omstandigheden en behoeften, bij te dragen aan het bereiken van de milieu- en klimaatdoelstellingen van artikel 6.

De globale milieubegroting biedt een kans om op zoek te gaan naar een compromis over de financiële toewijzing voor milieu- en klimaatgerelateerde maatregelen — een aspect dat een rol zal spelen bij de manier waarop de publieke opinie zal reageren op de landbouwhervorming. Een ander voordeel van de globale milieubegroting is dat het hierdoor niet langer relevant is hoe de nationale middelen over de twee pijlers worden verdeeld (= verdelende rechtvaardigheid), aangezien alle lidstaten over beide pijlers verdeeld hetzelfde totaalpercentage aan betalingen moeten uittrekken.

De volgende interventies moeten deel uitmaken van de globale milieubegroting:

  • 5 % voor verplichte ecologische aandachtsgebieden (eerste pijler);
  • ecoregelingen (eerste pijler);
  • eiwithoudende gewassen (eerste pijler);
  • de bijenteeltsector en de milieucomponenten van operationele programma’s in de overige sectoren (eerste pijler);
  • agro-ecologische duurzaamheid, maatregelen voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering en andere beheersverbintenissen (tweede pijler);
  • natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen (tweede pijler);
  • gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten (tweede pijler);
  • alle soorten Elfpo-interventies die zijn gericht op specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e), f) en i) (tweede pijler);
  • uitgaven voor bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw die zijn bedoeld om milieu- en klimaatprestaties te verbeteren (eerste en tweede pijler).

Met het oog op vereenvoudiging is het van belang geen verschillende weging toe te passen op de afzonderlijke interventies. De basisinkomenssteun voor duurzaamheid maakt geen onderdeel uit van de globale milieubegroting. Alleen de 5 % aan bouwland met niet-productieve kenmerken en gebieden die vrij zijn van pesticiden en meststoffen is in het kader van de conditionaliteit verplicht (de voormalige ecologische aandachtsgebieden).

Wij vinden dat er een percentage van 30 % voor de globale milieubegroting moet worden uitgetrokken.

Om te voorkomen dat de tweede pijler “wordt leeggehaald”, moet ten minste 30 % van de uitgaven in het kader van de tweede pijler aan het klimaat en het milieu worden besteed. Hierdoor is het niet meer nodig om een percentage van de begroting vast te stellen dat verplicht moet worden toegewezen voor interventies in het kader van de eerste pijler.

De overdracht van financiële middelen tussen de twee pijlers speelt ook een belangrijke rol. Voor middelen die van de eerste naar de tweede pijler worden overgedragen gelden geen medefinancieringsverplichtingen.

De vraag welke eisen onder conditionaliteit vallen, is nog altijd een zeer controversiële politieke kwestie. Elementen als het landbouwbedrijfsduurzaamheidsinstrument voor nutriënten of een minimumpercentage voor niet-productieve grond, die buiten de verplichtingen voor landbouwers vallen die al onder de conditionaliteitsregels zijn geregeld, moeten onder ecoregelingen vallen.

Wij steunen een streefdoel van 8 % voor ecologische aandachtsgebieden (niet-productieve kenmerken of gebieden waar geen pesticiden en meststoffen worden gebruikt) op lidstaatniveau. Een percentage van 5 % moet verplicht zijn voor landbouwers in het algemeen, maar uitzonderingen hierop moeten worden toegestaan in het kader van de bestaande vergroeningsregels. De rest moet verplicht zijn voor de lidstaten en moet worden bereikt door middel van stimuleringsmaatregelen.

De lidstaten zijn verplicht om ecoregelingen aantrekkelijk te maken, zodat landbouwers sterk worden aangemoedigd om de maatregelen toe te passen. Geld voor de ecoregelingen dat niet is gebruikt, moet opnieuw onder de andere lidstaten worden verdeeld. Als er wordt besloten om geen globale milieubegroting vast te stellen, kan geld voor ecoregelingen dat niet is gebruikt beschikbaar worden gemaakt voor milieumaatregelen in het kader van de tweede pijler.

Hoe moet de “menubenadering” van de ecoregelingen eruitzien?
Om het gemeenschappelijke karakter van het GLB in stand te houden en te versterken, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om een gedelegeerde handeling vast te stellen waarmee een Uniecatalogus tot stand wordt gebracht van praktijken die in overeenstemming zijn met de regels van de basishandeling. De lidstaten stellen aan de hand van de genoemde Uniecatalogus een nationale lijst op van praktijken die in aanmerking komen voor de ecoregelingen.

BIJLAGE III, waarin de technische voorschriften zijn vastgesteld waaraan in het kader van conditionaliteit moet worden voldaan (GLMC’s en RBE’s), zoals goedgekeurd in de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (AGRI), dient inhoudelijk hetzelfde te blijven. Met het oog op het behoud van het gemeenschappelijke karakter van het Europese landbouwbeleid mogen de lidstaten niet de mogelijkheid krijgen om aanvullende eisen in de conditionaliteit op te nemen. Strengere eisen moeten gepaard gaan met een vergoeding in het kader van de ecoregelingen.

Met het oog op vereenvoudiging moet worden gepleit voor een combinatie van ecoregelingen en conditionaliteit in het kader van “versterkte ecoregelingen”. Aangezien de ecoregelingen strengere maatregelen omvatten, is het immers niet nodig om deze maatregelen ook nog eens op te nemen in het conditionaliteitskader.

2. De sociale dimensie van het GLB

EU-middelen mogen alleen worden toegekend aan ontvangers die wettelijke vormen van arbeid naleven. Andere fracties willen arbeidswetgeving opnemen in de conditionaliteit om ervoor te zorgen dat GLB-steun niet wordt uitgekeerd aan landbouwers die werknemers illegaal in dienst hebben. Het Europees landbouwbeleid is niet bedoeld om een nationaal sociaal beleid uit te voeren; dat valt uitsluitend onder de bevoegdheid van de lidstaten. De uitbetaling van GLB-middelen kan daarom niet worden gekoppeld aan nationale arbeids- of sociale wetgeving. De landbouwsector heeft echter wel de maatschappelijke verantwoordelijkheid om een einde te maken aan illegale arbeid, de wettelijke arbeidsnormen na te leven en seizoenarbeiders te beschermen. Landbouwers en landbouwbedrijven die werknemers illegaal in dienst nemen, ontvangen geen rechtstreekse betalingen.

3. Klimaat

Wij zijn van mening dat 40 % van het GLB voor klimaatmaatregelen moet worden gebruikt. Ook moet de definitie van “klimaatmaatregelen” worden verduidelijkt. Daarnaast vinden wij dat er interventies moeten komen om de bescherming en het herstel van wetlands en veengebieden te ondersteunen.

Wij zijn sterk voorstander van het idee om de productie en consumptie van Europese landbouwproducten die bijdragen aan een gezonde levensstijl aan te moedigen, bijvoorbeeld door de lidstaten aan te sporen gebruik te maken van meer doelgerichte btw-tarieven voor onder meer groente en fruit.

4. Antimicrobiële resistentie

We moeten antimicrobiële resistentie bestrijden en de noodzakelijke vermindering van het gebruik van antibiotica bevorderen. Het GLB moet stimuleringsmaatregelen bieden om landbouwers te helpen dit doel te bereiken.

Snel ingrijpen komen moet worden beloond.

5. Steun voor grasland

De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om via betalingen in het kader van de eerste pijler of via aantrekkelijke programma’s in het kader van de tweede pijler meer steun te bieden voor grasland. De lidstaten moet worden verzocht om een keuze te maken die in overeenstemming is met hun nationale klimaatdoelstellingen. Hoe dan ook mag het totaal aan rechtstreekse betalingen voor blijvend grasland niet minder zijn dan het nationale gemiddelde van betalingen in het kader van basisinkomenssteun voor duurzaamheid. Grasland helpt de biodiversiteit te beschermen en de klimaatverandering te beperken.

Het proces dat moet worden doorlopen om steun te ontvangen zou minder bureaucratisch moeten zijn, bijvoorbeeld wanneer bepaalde gewassen om redenen van biodiversiteit samen voorkomen in grasland.

6. Verband met de “van boer tot bord”-strategie

De beginselen van de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie moeten zorgvuldig worden beoordeeld. Indien mogelijk moeten extra administratieve lasten voor landbouwers na de goedkeuring van het nieuwe GLB worden vermeden. Het is nuttiger om er bij de lidstaten op aan te dringen dat zij duidelijke definities van hun ecoregelingen en programma’s in het kader van de tweede pijler opnemen in hun nationaal strategisch plan. Als landbouwers echter toch worden geconfronteerd met aanvullende eisen, moeten de lidstaten ook aanvullende financiële steun verstrekken.

7. Plafonnering, degressiviteit en herverdeling

Om voor een eerlijkere verdeling van de GLB-middelen te zorgen, heeft de commissie AGRI zich beperkt tot twee instrumenten: de verlaging van de betalingen (hierna “plafonnering” genoemd) en de herverdelingsbetaling. De door de Commissie voorgestelde degressiviteit is uit de tekst geschrapt.

Ten minste 5 % van de middelen voor rechtstreekse betalingen van de lidstaten moet worden toegewezen aan de herverdelingsbetaling. Er moet een plafond worden ingesteld voor een bedrag van meer dan 100 000 EUR per agrarisch bedrijf, na aftrek van de uitgaven voor ecoregelingen, jonge landbouwers en 50 % van de arbeidskosten.

Indien 10 % van de nationale middelen (oftewel 5 % meer dan het verplichte percentage) wordt gebruikt als herverdelingsbetaling, dan kan een lidstaat afzien van plafonnering. De voordelen van de herverdelingsbetaling zijn dat deze niet bureaucratisch is, onmogelijk kan worden omzeild door gebruik te maken van juridische “creativiteit”, eenvoudig te begrijpen is en voordelig is voor kleinere agrarische bedrijven.

Wij steunen het standpunt van AGRI, maar wij willen een verhoging van de minimale verplichte herverdelingsbetaling tot 7 %, en tot 12 % om af te zien van plafonnering.

8. Actieve landbouwer

We moeten voorkomen dat er bedrijfsmodellen worden gefinancierd waarbij de ontvanger van de subsidies, afgezien van de inkomsten, geen bijzondere band heeft met zijn landbouwbedrijf. Wij zijn van mening dat er op schaduwniveau een compromis moet worden gesloten en dat ten minste een minimum aan landbouwactiviteiten moet worden verricht. Wij dringen er bij de lidstaten op aan om onder toezicht van de Commissie een negatieve lijst op te stellen van ontvangers van rechtstreekse betalingen die van de ontvangst van rechtstreekse betalingen uitgesloten moeten worden. Indien een bedrijf dat GLB-betalingen ontvangt deel uitmaakt van een grotere voornamelijk niet-landbouwgerelateerde structuur, moet dit bovendien duidelijk zijn.

9. Strategische GLB-plannen, toezicht op prestaties en controlesystemen

Wij steunen het voornemen om het GLB te vereenvoudigen en te moderniseren met als doel landbouwers economische voordelen te bieden en de verwachtingen van de burgers waar te maken door via strategische GLB-plannen een programma te ontwerpen en een realistisch, resultaatgericht prestatiekader te introduceren. Wij benadrukken dat dit voornemen niet tot een gedeeltelijke hernationalisering van ons landbouwbeleid mag leiden of de financiële geloofwaardigheid van de GLB-uitgaven in gevaar mag brengen. Wij pleiten daarom voor het behoud van gemeenschappelijke regels, een reeks interventies en controlesystemen op EU-niveau om verstoringen en uiteenlopende nationale praktijken te voorkomen en een gelijke behandeling van landbouwers te waarborgen.

Andere gerelateerde inhoud