Het Europees Parlement heeft met een ruime meerderheid de Europese meerjarenbegroting voor de periode 2014-2020 goedgekeurd. Europarlementslid Jean-Luc Dehaene (CD&V), die namens het parlement onderhandelde met de lidstaten, wijst erop dat het Parlement graag meer middelen voor de EU had gezien, maar op belangrijke punten zijn slag heeft thuisgehaald.

Dehaene: “We hebben van het financieel kader voor de komende zeven jaar een investeringsbegroting gemaakt die ervoor zorgt dat het Europees geld gebruikt kan worden waar onze prioriteiten liggen én waar het het hardst nodig is.”

Het budget omvat 960 miljard euro in financiële engagementen en 908 miljard euro in betalingen. Het Europees Parlement kreeg toezegging op zijn eis voor extra geld om het tekort in de begroting 2013 te dichten (11.2 miljard). Ook aan de andere eisen van het EP werd voldaan: zo komt er een grotere flexibiliteit tussen de begrotingsjaren en de categorieën en is er een tussentijdse herziening van het zevenjarenkader voorzien (ten laatste in 2016). Het Europees Parlement wist ook geld opzij te zetten voor beleidsprioriteiten: 2.5 miljard euro extra om de jeugdwerkloosheid aan te pakken en voor de Horizon 2020-, Erasmus- en KMO-programma’s. Naar het Europees Fonds voor de Minstbedeelden gaat 1 miljard euro extra, dat de voedselbanken ten goede komt.

Het Parlement blikt ook vooruit. Met het oog op toekomstige begrotingsrondes, boekt het vorderingen op vlak van eigen, rechtstreekse inkomsten voor de EU. Er is afgesproken dat een speciale High Level Group  de komende drie jaar zal werken aan nieuwe voorstellen hiervoor . Dehaene: “De krappe budgettaire situatie in de lidstaten zorgt ervoor dat de EU voor het eerst minder geld krijgt voor de komende zeven jaar dan in de afgelopen zeven jaar. Dit terwijl in tijden van crisis het Europees budget juist zou moeten stijgen om dalende investeringen in de lidstaten te kunnen aanvullen. Rechtstreekse inkomsten voor de EU zijn de enige uitweg: zo dalen de bijdragen van de lidstaten en kan Europa een echt Europees beleid voeren met eigen inkomsten.”